15 april 2013 Trekschuit keert  terug  in het Groene Hart

Mijn moeder kwam uit een echt schippersgeslacht van turfschippers. Naast turf werd er ook zand, stadsafval en bieten vervoerd met een scheepje van maar 37 ton groot. Zij heeft meegemaakt dat het schip nog niet gemotoriseerd was en samen met haar andere broers en zussen  ingezet werd voor het jagen van het schip. Op grote wateren werd er gezeild en langs kanalen en rivieren gejaagd langs  jaagpaden. 
Vandaar dat mijn aandacht werd getrokken door de aankondiging in de AD-krant dat er 2008 weer twee replica trekschuiten gaan  varen in het Groene Hart rond het Reeuwijkse Plassengebied. Ditmaal niet als concurrent van de postkoets zoals dat in de 17e t/m 19e eeuw het geval was, maar nu als toeristisch evenement om mensen vanuit een trekschuit te laten genieten van de schoonheid van het polderlandschap in het Groen Hart rondom de stad Gouda. Een overstap maken in Hekendorp van de ene op de andere trekschuit gaat tot de mogelijkheid behoren. Naar ik aanneem met een drankje en hapje aan boord, want  natuur is prachtig maar er moet wel wat te eten en te drinken in de buurt zijn.Een mooi  initiatief genomen door de Stichting "Het Varend IJsselschip" om dit type vervoer te laten herleven. Er komen zelfs twee trekschuiten, de namen zijn al bekend.  De 'Jan Salie' krijgt de Museumhaven in Gouda als vertrekplaats voor rondvaarten, en de 'Jan Rap' in de Hollandse Yssel tussen Goua en Oudewater. Om het project te kunnen uitvoeren is subsidie verkregen van de Provincie Zuid-Holland.


Oerhollands tafereel van een trekschuit met een jager wat we volgend jaar terug gaan zien in het Groene Hart.
 19e eeuwse aquarel.

De bouw van de 'Jan Salie' is inmiddels gestart op een oude scheepswerf in Delft. Beide trekschuiten zullen naar verwachting in het toeristenseizoen van 2008 gaan varen. Voor de bouw van de twee schepen wordt hout uit eigen streek gebruikt. Eikenhout uit het Linschoterbos.


    

Links: een oude aardewerk plaque
tte met de voorstelling van een trekschuit om een idee te krijgen  van een 
stukje cultuurhistorisch verleden. Productie: Tegel- en aardewerkfabriek Westraven te Utrecht, begin 20e eeuw.
 
Rechts: tegel met een trekschuit, pijprokende man aan boord en 'jagende' persoon zittend op een paard. 
Vervaardigd bij Westraven Utrecht omstreeks 1870.


         

Links: een plaque
tte met de voorstelling van een landschap met een trekschuit. Productie: Tichelaar Makkum, 1875-1900.
Coll: Fries Scheepvaart Museum.
 
Rechts: tegel met links een trekschuit en rechts een motorboot. Begin 20e eeuw
Coll: Tegel Museum Otterloo

Trekschuiten waren tot aan het eind van de 19e eeuw ongemotoriseerd en werden door een paard  dan wel menselijke kracht vanaf een jaagpad voortgetrokken, het zgn. jagen. Vandaar de uitdrukking jaagpad. Het scheepje had een roef waar de mensen in konden gaan zitten,maar bij mooi konden ze ook op het roefje staan of zitten om het landschap  langzaam aan zich voorbij te zien trekken. Uiteraard genietend van dat landschap, een lange Goudse pijp rokend. Langzaam ging dat vervoer per trekschuit, de snelheid lag op ongeveer 2 3 km per uur. Trekschuiten werden vooral gebruikt voor het vervoeren van passagiers. Het is een puur oer-Hollandse  uitvinding daterend uit de Gouden Eeuw. In feite vormde de trekschuit de voorloper van ons modern openbaar vervoer. Er was een vaste dienstregeling.  Iedereen kon mee die bereid was om het vastgestelde bedrag te betalen.


Tegeltableau bestaande uit zes tegels gemaakt door Westraven te Utrecht, begin 20e eeuw. Particuliere collectie.
De voorstelling van een trekschuit op tegels was erg populair want en er zijn veel tableautjes en plaquettes van gemaakt.

Omstreeks 1700 beschikten het waterrijke westen en noorden van Nederland over een uniek transportsysteem, en dit type binnenschip vormde er de spil van. De trekschuit heeft er zelfs in niet onbelangrijke mate aan bijgedragen dat de Nederlanden zich in de 17de eeuw ontwikkelde tot het welvarendste land van Europa. Vooral buitenlanders wisten het comfortabele vervoermiddel te waarderen. In 1697 schreef de Engelsman Francis Child: Als de bel luidt vertrekt het schip, ook al is er op dat moment geen passagier aan boord. Het is een aangename manier van reizen; en het tempo is zo gelijkmatig, dat als je van Den Haag naar Amsterdam reist, je er bijna altijd op kunt rekenen op tijd aan te komen. Het succes van de trekschuit was echter een van de redenen dat Nederland, vergeleken met de omringende landen, pas betrekkelijk laat begon met het aanleggen van spoorwegen. De schuit had altijd uitstekend voldaan; waarom dan ineens zo'n dure trein?



Tegeltableau bestaande uit zes tegels gemaakt 
door Westraven te Utrecht,  begin 20e eeuw.
Coll: Tegel Museum Otterloo.


Tegeltableau bestaande uit zes tegels gemaakt 
door Westraven te Utrecht,  begin 20e eeuw.
Coll: Tegel Museum Otterloo.


Tegeltableau bestaande uit zes tegels gemaakt 
door Westraven te Utrecht,  begin 20e eeuw.
Coll: Tegel Museum Otterloo.


Tegeltableau bestaande uit zes tegels gemaakt 
door Westraven te Utrecht,  begin 20e eeuw.
Coll: Fries Scheepvaart Museum.

Voor het trekken van een trekschuit werd een paard  gebruikt. De persoon die naast het paard liep noemde men de jager. De jager liep op het jaagpad dat speciaal was aangelegd om ongehinderd te kunnen jagen.  Het jaagpad was een langs het vaarwater gelegen smal voetpad. Het bevond zich meestal maar aan een kant van de vaarweg.  Hierop liep de jager met zijn paard, zelf ook vaak in het touw om mee te trekken en het paard te sturen. Bij gebrek aan een paard trokken meerdere mensen het schip vooruit. Het moeilijkst was om het schip in beweging te krijgen. Was er eenmaal wat vaart dan was trekken voor deze mensen minder lastig. De schipper stuurde via een scheproer die hij via een helmstok bediende.

Bij bochten in het vaarwater liep het schip het risico tegen de wal te worden getrokken. Op die plaatsen waren rolpalen aangebracht. Die zorgden ervoor, dat de jaaglijn de bocht volgde, zodat het schip bij het passeren van de bocht niet in de kant werd getrokken. Bij bruggen was aan de binnenzijde van bruggenhoofden een speciale loopconstructie aanwezig, zodat het jagen gewoon door kon gaan en niet tot oponthoud zorgde. 

 

 


Een houten halfmodel van een trekschuit. Zo'n model diende 
als hulpmiddel voor scheepsbouwers. In de loop van twee 
eeuwen bleef de constructie van het succesvolle vaartuig 
min of meer dezelfde.

In de loop van de 17de eeuw bloeiden handel en nijverheid op en er was sprake van een grote ondernemingslust. Er ontstond behoefte aan betere vervoersmogelijkheden. De overheid koos voor het vervoer over water met trekschuiten.
In betrekkelijk korte tijd (enige tientallen jaren) kwam in het midden van de 17de eeuw een uitgebreid net van trekvaarten tot stand. Hiervoor moest veel werk worden verzet. Vaarten werden gegraven, jaagpaden aangelegd en sluizen gebouwd. Een project dat wat omvang en kosten betreft vergelijkbaar is met de aanleg van onze moderne wegennet.


Model van een trekschuit (scheepvaartmuseum Amsterdam)


Interieur van een trekschuit. 
Situatie 18e eeuw. 
Reizigers in het roefje zittend waaronder links voor een persoon 
met lange Goudse pijp. Op de voorgrond rechts zit een 
man met hoed (driesteek) te werken op een 18e eeuwse ' laptop'
.

Na jaren van gesteggel tussen concurrerende steden was het dan zover voor de stad Gouda. In 1658 was de nieuwe trekvaartverbinding Gouda -Amsterdam klaar. Deze liep via de Gouwe, het Aarkanaal (dat er speciaal voor gegraven is), de Amstel en Drecht naar Amsterdam.

2x per dag ging er een dienst. Om 11.00 uur 's ochtends en 20.00 uur 's avonds vertrok de trekschuit vanuit Gouda vanaf de hoek Turfmarkt/Gouwe.  Dan was je 8 uur later in Amsterdam. Er konden maximaal 28 personen per trekschuit worden vervoerd.

Het hoogtepunt in de ontwikkeling van het trekschuitvervoer viel in het begin van de 19de eeuw. Uit Amsterdam vertrokken per dag ongeveer honderd trekschuiten in allerlei richtingen. Tussen Leiden en Den Haag bestond een geregelde uurdienst.


Trekschuit voor goederenvervoer op de Nieuwe Amstel rond 1730

                                                                 Oproep aan de politiek
Dat er veel (subsidie)geld  in het Groene Hart wordt gestopt ter verbetering van de kwaliteiten van het Groene Hart, plattelandsontwikkeling en het stimuleren van recreatie juich ik van harte toe. Desondanks toch ook een kritische noot. Ondanks de inzet en goede bedoelingen van politieke bestuurders valt me als dagelijkse bezoeker van het Groene Hart op dat de  versnippering ( die vervolgens resulteert in verrommeling) van  het Groene Hart gewoon doorgaat. Het  beleid zou dan ook wat krachtiger gevoerd moeten worden, gericht op het voorkomen van versnippering.  Een versnipperd (en verrommeld) landschap leidt niet alleen tot het verloren gaan van de openheid van ons Groene Hart, maar gaat veelal samen met het verdwijnen van boerenbedrijven, en het afnemen of zelfs verdwijnen van de ecologische biodiversiteit.
Het tegengaan daarvan kan er toe leiden, dat de twee trekschuiten tot in lengte van jaren zullen kunnen varen in een wijds groen polderlandschap waarin kerktorens en watermolens aan de horizon het beeld bepalen, met agrarisch (mede)gebruik en koeien in de wei, met vochtige graslanden vol met bloemen,  begeleid door de roep van weidevogels. 


Trekschuit met een klein roefje omstreeks 1810 (tekening)




In de zomer van 2008 in de (recreatie)vaart genomen, de replica trekschuit Jan Salie

homepage

nieuwste vertellingen fotoboek landschappen zoeken foto's zoeken op trefwoorden auteur
natuur & landschap Reeuwijkse Plassen weidevogels cultuurhistorie jeugdverhalen