Toch waren kieviten in vroegere tijden wellicht niet overal algemeen, zeker niet in
West-Nederland, getuige het volgende. Tot net voor de 2e
wereldoorlog broedden er bijna
geen kieviten in de Krimpenerwaard (20.000 hektare). Dit gebied
bestond toen nog grotendeels uit een uitgestrekt areaal aan
blauwgraslanden (dit concludeert Professor Herman Klomp in zijn
proefschrift omstreeks 1940). Wellicht kan deze constatering ook doorgetrokken
worden voor andere poldergebieden in West-Nederland die
grotendeels of ten dele bestonden uit niet bemest blauwgrasland. Vanaf
de jaren 1950-60 nam de kievit toe als broedvogel op het vroegere
schrale grasland dat door steeds meer bemesting alsmaar
voedselrijker werd.
De
meeste afbeeldingen van kieviten op tegels lijken in belangrijke
mate te zijn ontleend aan een gravure van Adriaen Collaert uit het
laatste kwart van de 16e eeuw. Het valt op dat flink wat
afbeeldingen op de tegels sterk lijken op de voorstelling van de
gravure. Met name de kuif en de houding van de poten komen nogal
overeen. Toch zitten er onder de kievittegels diverse twijfelaars
waarvan we ons kunnen afvragen of de voorstellingen wel echt om
een kievit gaat. Een van de tegels heeft een voorstelling die wel
kievitachtig is, maar de snavel van de vogel lijkt eerder op die
van een roofvogel. Een andere tegel doet ook kievitachtig aan maar
het achterlijf verraadt dat het eerder om een pauw zal gaan.