|

Dierlijk bot met aan weerskanten gaatjes.
Op het bot zijn zo hier en daar uitstekende delen wat afgevlakt.
Het bot heeft een lengte van 24 cm en vertoont ook daadwerkelijk
glijsporen van het ijs.
|
|

Uiteinde van bot met een gaatje geboord
door het bot.
Aan het uiteinde van het bot zijn uitstekende delen
afgevlakt.
Dit is door mensen zelf gedaan.
|

Uiteinde van bot met een gaatje geboord
door het bot. Aan
het uiteinde van het bot zijn uitstekende delen wat
afgevlakt.
Of dit door mensen zelf is gedaan of door afschaving
door ijs
is niet helemaal duidelijk.
|
|

Uiteinde van bot met een gaatje geboord
door het bot.
Ook zijn hier duidelijk slijtsporen te zien veroorzaakt door
glijden
over het ijs.
|

Ook in de 17e eeuw werd er volop
geschaatst. Hier mooi te zien
op een 17e eeuwse Nederlandse tegel.
Toen op ijzeren krulschaatsen.
|
Uit archeologische vondsten is gebleken dat er al in de oertijd werd
'geschaatst'. Men
bewoog zich over het ijs - niet op schaatsen,
maar op glissen. Dat waren lange botten van runderen, aan twee zijden
platgemaakt en van gaten voorzien.
Het was toen nog vooral een kwestie van glijden. De
allereerste schaatsen worden daarom glissers genoemd. Een glis
is een rib
of een middenvoetsbeen
van een rund, paard of hert. Glissers werden voorzien van gaten en met pezen of palingvellen aan de
voet bevestigd. Om het afzetten op het ijs te vergemakkelijken, werd vaak
gebruikgemaakt van één of twee stokken. Later werden ook prikstokken als
hulpmiddel ingezet. Glissers of botschaatsen zijn door heel Europa
teruggevonden. In Nederland zijn ze waarschijnlijk vooral gebruikt tussen
800 en 1200. Glissers werden in de loop van de eeuwen steeds meer vervangen door een
houten schaats met ijzeren glij-ijzer. Waarschijnlijk deed het
glij-ijzer rond 1400 zijn intrede.
|
|
Wilt U iets weten over
een specifieke Goudse schaatstraditie klik dan hier
|