22 november 2009               Jeugdverhaal               Ruim 50 jaar natuurbeleving
Landbouwkundige en ecologische ontwikkelingen van een (Groene Hart) graslandpolder 

Veranderingen in het Steinse polderlandschap en de vogelwereld

Wat is het uiterwaardenlandschap ten noorden van de Hollandse Yssel tussen Gouda en Hekendorp nu vrijwel boomloos als je het vergelijkt met de zestiger jaren van de vorige eeuw. Het dorp Haastrecht was toen nog niet met zijn nieuwbouw over de Hollandsche Yssel gesprongen. Langs het Jaagpad, noordelijk van het lieflijke dorpje Haastrecht had je een paar honderd meter lintbebouwing, en uiterwaarden, die in onze streek bekend stonden als de 'uiterdijk'. Ze bestonden toen nog uit een maagdelijk mozaďek van graslanden, hoogstamboomgaarden, verspreid staande notenbomen, heggenrijen langs de Steinse Dijk en verder nog een paar percelen bouwland.

In mijn jeugdige jaren bracht ik mijn vrije tijd met vrienden zo'n beetje dagelijks door op boerderijen in de directe omgeving van Haastrecht. Favoriet waren spelen in de hooiberg, varen met de boerenschouw de polder in, maar ook het observeren van vogels en het opzoeken van vogelnesten  in de directe omgeving van boerderijen. In die tijd was je bij de meeste boeren (als ze maar wisten uit welk gezin je kwam of dat je van het juiste houtje was) van harte welkom en kon je op de boerderij je gang gaan met de dingen die je leuk vond.  Favoriet bij mij was de polder Stein met de boerderijen langs de Steinse Dijk tussen Gouda en Hekendorp. Maar ik kwam ook al bij boerderijen langs de Vlist tussen Haastrecht en Vlist en bij boerderijen langs de Provinciale Weg Oost tussen Haastrecht en Hekendorp. Alles deden we toen nog lopend af. 
De meeste boerderijen hadden in die tijd nog prachtige erfbeplantingen met onder andere hoogstamboomgaarden, waar  majestueuze knotwilgen met prachtige pruiken langs slootkanten beeldbepalend waren. Die knotwilgen waren voor ons vogelonderzoek uiterst interessant. In het voorjaar werden ze stuk voor stuk nauwkeurig onderzocht op het voorkomen van vogelnesten. Al in het vroege voorjaar, beginnend half Januari gingen we er op uit om nesten van bosuilen te traceren. Bosuilen zijn uiterst vroege broeders. We hebben half januari wel nesten met eieren gevonden. Ten noorden van de Hollandse Yssel tussen Gouda en Hekendorp broedden jaarlijks een 3-4-tal bosuilen in oude holle knotwilgen. Daarvan stonden er toen rond de boerderijen en in de uiterwaarden langs de Hollandse Yssel nog wel een paar honderd.


Eenzame knotwilg in de uiterwaard in de polder Stein welke gespaard is gebleven en de overblijfselen van snijmaisteelt.

We klommen in elke knotwilg waarvan we verwachtten dat er wel eens een bosuil in zou kunnen broeden. Bosuilen broedden bij voorkeur in oude knotwilgen met holten erin. Sommige knotwilgen waren ver uitgehold, je snapte niet dat ze desondanks toch nog leefden en takhout vormden. Dat waren wel favoriete broedplaatsen van bosuilen (maar ook van wilde eenden). Als je de oude knotwilgen maar afliep en de holten inkeek dan kwam je vanzelf wel een bosuil tegen. Meestal vlogen ze dan van het nest af, maar er waren er ook bij die op het nest bleven zitten of pas opvlogen als je half gebogen over de holte gebogen stond zodat de bosuil dan rakelings langs je heen vloog. Je schrok je dan rot. Sommige bosuilen stelden het niet erg op prijs als je bij hun nest kwam en alarmeerden dan dreigend door boven je hoofd te gaan vliegen. Vooral als ze jongen hadden gedroegen bosuilen zich soms agressief.


Bosuil lekker slaperig genietend van het warme zonnetje op zijn lichaam.

Naast bosuilen broedden er nog veel meer vogels in de oude knotwilgen. Maar dan wat later in het voorjaar want bosuilen zijn zeer vroege broeders. Wilde eend, ransuil, steenuil, houtduif, holenduif, ringmus en allerlei kleine holenbroeders konden we er aantreffen. Zelfs de gekraagde roodstaart, nu nog zelden als broedvogel in het veenweidegebied voorkomend, broedde regelmatig in knotwilgen. Vooral in hele oude knotwilgen, waarvan de binnenkant van de stam al aardig vermolmd was, hebben we verschillende nesten gevonden met van die mooie blauwe eitjes. De nesten zaten soms vrijwel in het midden van de stam van de wilg. Ze waren bereikbaar via een smal gangetje, wat de roodstaarten in de zachte vochtige houtmolm hadden uitgepulkt. De gekraagde roodstaart is in dit deel van het Groene Hart inmiddels zo goed als verdwenen als broedvogel. Holenduif en groene specht  doen het nu weer wat beter na een aantal jaren vrijwel afwezig te zijn geweest.


Gekraagde roodstaart (mannetje)

 

Polder Stein

De polder Stein is gelegen oostelijk van Gouda tussen de Hollandsche Yssel en het Reeuwijkse Plassengebied. De oorspronkelijke ontginning van de polder liep vanaf de  Hollandsche Yssel (met een onderbreking van de Steinse Tiendweg) tot aan de huidige Twaalfmorgen zuidelijk van de Reeuwijkse Plassen. In het midden van de 19e eeuw is de polder doorsneden door de aanleg van de spoorlijn Utrecht-Rotterdam/Den Haag. Zuidelijk van de spoorlijn in Stein zijn de graslanden in particulier agrarisch gebruik en de graslanden noordelijk van de spoorlijn worden extensief beheerd  en zijn in eigendom bij Staatsbosbeheer.


Uitsnede van een topografische kaart gemaakt in opdracht van het Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR) omstreeks 1740 met 'T LAND VAN STEYN' zoals het toen heette.

Op bovenstaande kaart zijn verschillende interessante details waar te nemen. Uiteraard ontbrak de spoorlijn nog. Het zuidelijke deel van de huidige Reeuwijkse Plassen was toen nog slechts ten dele verveend. Waar nu de Twaalfmorgen loopt aan de noordkant van Stein, toen 'Reewal en Wateringh' geheten lag nog een kade met de naam "Land van Steyns Kaden'. Verder zijn in de zuid-westelijke hoek van de polder  gedetailleerd te onderscheiden de voormalige boezem en het Klooster (groen) waar Erasmus een aantal jaren verbleef.

 

Landbouw en bedrijfsontwikkeling in het Groene Hart

Na de ontginning van het huidige Groene Hart van West-Nederland werden langs rivieren op de wat hoger gelegen stroomruggen de eerste boerderijen gebouwd. In die tijd nog hoeven genaamd. Het begrip hoeve stond voor een stuk land waar een familie van kon leven. Het woord hoeve zou afgeleid kunnen zijn van 'behoefte'. Aanvankelijk bestond zo'n  hoeve uit een grote ruimte en woonde men hier min of meer samen met het weinige vee wat men toen hield. Door inklinking van het veen kwam het land alsmaar lager te liggen waardoor het op een gegeven moment minder geschikt werd om akkerbouw te bedrijven. Samenhangend met de groei van de steden en het dalen van de natte veengrond specialiseerde de landbouw in het Groene Hart zich vanaf de 16de eeuw in veeteelt met het accent op boter en kaas productie.


Handgekleurde kaart van rond eind 16e eeuw met de voorstelling van een hofstede met twee hooibergen en een duiventil. 
Het gaat hier om een kaart van het landgoed Breeveld te Woerden. Het is dus aannemelijk dat het hoofdgebouw een hofstede 
betreft en geen hoeve. Op de kaart zijn goed herkenbaar een perceel bouwland, graslanden en boomgaard. En verder windsingels 
in de vorm van rijen bomen. 

 


Boerderijvergroting

Historische boerderijtypen vormden in het verleden belangrijke elementen in het plattelandslandschap van het Groene Hart. Maar er is veel aan het veranderen. Na de Tweede Wereldoorlog hebben boerderijen, door de ontwikkelingen in de landbouw, een meer gestandaardiseerd uiterlijk gekregen. 'Streekeigen' bouwstijlen hebben steeds meer plaats gemaakt voor meer eenvormige boerderijvormen. Nogal wat historisch belangrijke boerderijen heeft men aangepast aan de moderne agrarische ontwikkelingen of hebben hun agrarische functie verloren. De bouw van moderne loopstallen heeft daarbij het beeld van wat we voor ogen hadden van de oorspronkelijke hoeve/hofstede  ingrijpend veranderd.

Op bovenstaande foto is mooi te zien hoe de ontwikkeling van de bebouwing van een boerderij in de loop der eeuwen is gegaan. Achter de hoge bomen staat de oorspronkelijke boerderij (halsgevel) met voormalige hooiberg en daarachter een schuur waar in het verleden varkens dan wel koeien in verbleven. Westelijk van de torensilo is later de eerste loopstal met nog een schuur gebouwd waardoor men meer koeien kon gaan houden. Weer later (recentelijk) zijn er nog twee loopstallen bijgebouwd. Op dit bedrijf worden nu ca. 200 melkkoeien gehouden. Op de voorgrond een 3-tal oude knotessen als overblijfsel van de vroegere (uitgebreidere) erfbeplanting.



De voormalige Kloosterboerderij aan de Steinse Dijk bij Haastrecht is opnieuw opgebouwd. Achterstaand een nieuw gebouwde loopstal voor het houden van ongeveer 125 koeien.

 


Koeien de spoorlijn over

Voor de 2e wereldoorlog kwam er in de polder Stein nauwelijks vee ten noorden van de spoorlijn. Vrijwel al het grasland werd gebruikt als permanent hooiland en die percelen werden een of hooguit twee keer per jaar gemaaid. Soms weidde men na met wat jongvee. In dit deel van Stein kwam maar weinig dierlijke mest. Vandaar dat veel percelen uiterst bloemrijk waren. Met het toenemen van het aantal stuks vee veranderde het een en ander. Men ging sommige hooilanden in het voorjaar voorweiden en wat later ging men met (steeds meer) melkkoeien de spoorlijn over naar het noordelijk deel van Stein om er te weiden. Ook de bemesting met o.a kunstmest nam toe. 
Het verkampen van melkkoeien de spoorlijn over was iedere keer weer een zenuwslopende gebeurtenis zo kan ik me nog herinneren. Er was op dit spoordeel veel treinverkeer tussen Utrecht-Rotterdam/Den Haag. Om de paar minuten kwam er een trein langs. 20-40 melkkoeien de spoorlijn over jagen moest dus heel snel gebeuren. In je eentje lukte dat uiteraard niet. Twee personen werden aangewezen om de koeien 'het rechte pad' te laten houden de spoorbaan over. Eerst goed uitkijken naar beide kanten of er geen trein vanuit de verte aan kwam rijden en dan luid schreeuwen naar degenen die de koeien op moesten jagen met de term 'hij kan'. Een derde persoon deed dan snel het hek open en nog weer een ander die de koeien als groep bijeen had gehouden joeg de koeien met veel geschreeuw richting spoorbaan. Het ging ook wel eens mis. Er zijn nog wel eens koeien doodgereden. Inmiddels wordt deze manier van koeien verkampen niet meer toegepast.


Spoorlijn Utrecht-Rotterdam/Den Haag de polder Stein passerend.

 


Ontwikkelingen van de biodiversiteit  in het noordelijk deel 
van de  polder Stein, toekomstig NATURA2000gebied

Botanische kwaliteiten
Eduard van de Voo en Chris van Leeuwen zijn eigenlijk de eerste pioniers geweest die hebben geschreven over de polders rondom Haastrecht. Beide personen waren echte plantenmensen, en hun specifieke aandacht  werd getrokken door de uitgestrektheid en gaafheid van de schraalgraslanden rondom het Reeuwijkse Plassengebied waaronder de polder Stein. In het boekje “Tussen Lek en ronde Venen” wordt b.v. vermeld dat in de jaren veertig van de vorige eeuw zelfs nog grote aantallen harlekijnorchissen in het noordelijke deel van de polder Stein voorkwamen. En ook honderdduizenden kievitsbloemen waar deze polder zo bekend om stond. Maar ook zij moesten al constateren dat er veranderingen gaande waren, die in belangrijke mate werden veroorzaakt door landbouwkundige veranderingen. 
Ook ik heb nog meegemaakt dat in het Stein gedeelte wat nu reservaat van Staatsbosbeheer is grote aantallen wilde kievitsbloemen stonden. Niet in alle percelen was dit trouwens het geval. De oevers van veel slootkanten waren in het voorjaar geel gekleurd van de dotterbloemen en op natte percelen waren ze ook gewoon in het grasland zelf. Langs de slootkanten groeiden schraallandplanten die nu zo'n beetje allemaal verdwenen zijn zoals kleine valeriaan, moeraskartelblad en spaanse ruiter, bosbies, tal van zeggesoorten waaronder blauwe-, zwarte-, ster- en zompzegge temidden van kleine veldjes veenmos. Ook margrieten waren in de hooilanden zeker niet zeldzaam. Het hooiland geurde in het voorjaar van de kruiden en het wemelde er van luid zoemende insecten kan ik me nog goed voor de geest halen. Groepjes zwarte sterns vlogen regelmatig boven die bloemrijke hooilanden druk insecten vangend.


Wateraardbei in een drassige oever 

Kievitsbloem
De graslanden in het noordelijk deel van de polder Stein zijn vanuit het verleden vooral bekend om het massaal voorkomen van wilde kievitsbloemen, in Reeuwijk wilde tulpen genoemd. Een aantal (hooiland)percelen in de Stein (en Lang Roggebroek) zag vroeger in het voorjaar letterlijk paars-wit van de tienduizenden kievitsbloemen die er in voor kwamen. Daar is nu weinig meer van over. Er zijn nu nog maar een paar verspreide groeiplaatsen. Het beheer van Staatsbosbeheer is er speciaal op gericht om de inmiddels beschermde soort te behouden voor de toekomst.


Een dubbele kievitsbloem

Zwarte stern en krabbenscheer
Krabbenscheer was vroeger in de polder Stein heel gewoon Veel sloten in het deel van Stein ten noorden van de spoorlijn waren bijna helemaal dichtgegroeid met deze waterplant. De zwarte stern was een algemene broedvogel die hier en daar in kolonies op de krabbenscheervegetaties broedden. Een mooi voorbeeld kan daarvan worden aangehaald. Ik bezocht zo rond 1956, ik was toen tien jaar oud, een graslandperceel en werd aangevallen door alarmerende zwarte sterns. Het slootje waarin de kolonie huisde was niet erg breed en bij het aflopen van een deel van het perceel kon ik de nesten die op krabbenscheer lagen goed tellen. Bij 75 nesten ben ik gestopt, herinner ik me nog, want toen begon de lol van het tellen eraf te gaan. Er lagen nog meer nesten, maar hoeveel blijft de vraag. Bij ons was bekend dat dit niet de enige kolonie was in de polder. De zwarte stern is in de loop der jaren geleidelijk afgenomen en broedt nu helemaal niet meer in de polder Stein. 


Zwarte stern op insectenjacht

Ook de reservaatvorming met aankoop en beheer door Staatsbosbeheer, alsmede het neerleggen van vlotjes in het midden van de jaren 80, heeft niet geleid tot de terugkeer van zwarte sterns naar Stein. Er zijn nu nog maar een of twee sloten waar de waterplant voorkomt. De belangrijkste oorzaak voor de afname van krabbenscheer is geweest de inlaat van grote hoeveelheden gebiedsvreemd water uit de Hollandse Yssel. Soms leek het ingelaten water wel op karnemelkse pap. Grote aantallen vissen gingen door de slechte kwaliteit van het water na het binnenlaten gelijk dood. Het regelmatig uitbaggeren van veensloten en een goede waterkwaliteit zijn belangrijke randvoorwaarden voor krabbenscheer.


Zou de groeiplaats van deze drie krabbenscheerplanten en de bescherming ervan toeval zijn?

Zomertaling en slobeend
In de 60er jaren was de zomertaling een algemene broedvogel in het noordelijke deel van Stein. In die periode kwam je wel om de paar sloten een wakende woerd of een paartje tegen. Vroeg in het seizoen man en vrouw tezamen en wat later alleen de mannetjes. Nog weer later in het broedseizoen verschenen de vrouwtjes zomertaling dan weer met pulli in de sloten. Het aantal paren is in de loop der jaren geleidelijk aan afgenomen en de laatste jaren schommelt het aantal  paren hooguit rond de 1-2 stuks.

Slobeenden daarentegen waren vroeger in het noordelijke deel van Stein veel minder talrijk dan nu het geval is. Nu zijn dat jaarlijks tussen de 15-20 paartjes. Om van deze eendensoort meer exemplaren (en nesten) te zien moest je naar de polder Boven Haastrecht gaan in de Lopikerwaard zuidelijk van het dorp Haastrecht. In de omgeving van de voormalige Benschopper Boezem kwamen ze in behoorlijke aantallen voor en een nest vinden was niet zo moeilijk, zeker niet als je de oostelijke kade langs de Boezem, toen in gebruik als laat gemaaid hooiland, afliep. Het gras op deze wat hoger gelegen kade was pollerig, precies geschikt voor slobeenden om er in te nestelen. De loopsporen verraadden ons waar een nest moest liggen. We hebben er heel wat nesten van slobben (en zomertalingen) aangetroffen.


Man zomertaling


Slobeend vrouw

Kievit en tureluur
Beide soorten waren in de jaren 60 in het ten noorden van de spoorlijn gelegen deel van Stein schaarse broedvogels. De kievit heeft zich goed aangepast aan de veranderende landbouw. Steeds meer permanente hooilanden werden omgezet naar wisselweiden, werden intensiever bemest en daarmee nam het aantal kieviten flink toe. 
De tureluur is nooit algemeen geweest in Stein. De soort ontbrak volledig in de zestiger jaren. Inmiddels is de waterstand in het gebied van Staatsbosbeheer flink verhoogd naar reservaatspeil. De polder wordt periodiek aangevuld met voedselrijk water wat een wat hoger chloridegehalte heeft (gunstig voor tureluurs). Het aantal  paartjes tureluur is fors toegenomen en varieert nu tussen de 5-10 stuks.  


Kievit op het nest tussen de bloemetjes van de kleine veldkers.


Tureluur wakend over de kuikens

Gele kwikstaart
Gele kwikken waren ook al in de jaren 60 erg schaars maar ieder jaar broedden er wel een paar stelletjes. In de broedtijd kwamen we ze alarmerend tegen en ook hebben we ooit een nestvondst gedaan in de polder Lang Roggebroek in het 'schrale' van Jo Nap waar in het voorjaar veel kievitsbloemen voorkwamen. Tegenwoordig broeden er geen gele kwikken meer in Stein. Ze worden in het voor- en najaar wel waargenomen, maar het gaat dan om doortrekkers.

Grutto
Hoewel het aantal broedende grutto’s in het verleden (zestiger jaren) wel wat hoger was dan tegenwoordig (Stein Noord 2007 en Stein Zuid 2007) is de polder Stein nooit een heel goede gruttopolder geweest. Daar was, zeker in het deel ten noorden van de spoorlijn, de bodem te voedselarm voor. Er is jammer genoeg geen kwantitatief beeld te geven over grutto-aantallen in die periode, maar er kan wel iets gezegd worden over de terreincondities voor deze soort (en andere weidevogels), die in de loop der jaren nogal gewijzigd zijn. 
Het volgende verhaal is daar illustratief voor:
Op een hooilandperceel in Stein Noord kwamen nog tot in het midden van de zestiger jaren ieder jaar tienduizenden  wilde kievitsbloemen in bloei. Op 16 april 1998 werden op dit perceel door amateur-ornitholoog Rien van Straaten de laatste 12 bloeiende exemplaren geteld. Sinds het begin van de negentiger jaren van de vorige eeuw is dit perceel bij Staatsbosbeheer in eigendom en beheer. Over de geschiedenis van dit perceel is veel bekend, ook over het voorkomen van grutto's, en dan vanaf de periode waarin de gebroeders Blok het beheer voerden dat als zeer extensief  bestempeld mag worden. Het betreft de jaren zestig tot het midden van de zeventiger jaren. Een belangrijk kenmerk van het hooilandperceel was de vegetatiestructuur. Pollerig met veel ruwe smele en een overwegend kort blijvende grasmat met veel bloemen erin, vooral pinksterbloemen en hier en daar verspreid staande pollen dotters. In het hooilandperceel stonden elk voorjaar dus vele duizenden kievitsbloemen in bloei. De oevers en greppels vormden een lang geel lint van dotters. Weidevogels waren toen nog veel algemener dan nu het geval is, maar de vondst van een 25-30tal gruttonesten op dit ene perceel was ook in het midden van de jaren zestig voor ons een grote bijzonderheid, temeer omdat alle nesten gelegen waren in en soms op pollen ruwe smele. De nesten lagen wat hoger t.o.v. het grasland en dit kwam omdat de breed uitstoelende pollen wat hoger boven het maaiveld uitstaken. Voor grutto's was dit blijkbaar aantrekkelijk want daardoor kwamen de nesten ook wat hoger te liggen, 'hoog en droog" dus. De vestiging van de gruttokolonie op dit perceel duurde overigens maar een broedseizoen.


Gruttonest ditmaal niet gebouwd in een pol ruwe smele maar nu in een pol pitrus

Ruwe smele was (en is) bij boeren een ongewenste grassoort, welke door de gebroeders Blok regelmatig werden uitgestoken met een secschop (sec is de lokale (Reeuwijkse?) naam voor smele). Ook gebruikten zij wel ter bestrijding van die genoemde smele landbouwzout, dat op de pollen werd gestrooid, die dan doodgingen. Omstreeks 1975 stopte de laatst overgebleven Blok met boeren en het bedrijf werd overgenomen door een andere boer. De “nieuw” aangepaste bedrijfsvoering van deze jonge boer zorgde al snel voor een forse afname van het aantal bloeiende kievitsbloemen. Voorbeweiding i.p.v. hooiland met extensief nabeweiden, een verhoogde mestgift en een hogere veebezetting waren de belangrijkste oorzaken van afname. Daarbij vormde ook de laaggehouden grondwaterstand in Stein een ongunstige factor. De afname ging zover door, dat er geen kievitsbloemen meer op het perceel werden gesignaleerd. In het begin van de negentiger jaren werd door SBB een aantal graslandpercelen verworven waaronder ook dit perceel. Dit gebeurde door uitruil van gronden voor de spoorlijn gelegen. Het voor de kievitsbloem noodzakelijke hooilandbeheer met extensieve mestgift en extensieve beweiding gaf al snel resultaat met een kleine opleving van het aantal wilde  kievitsbloemen. Dat waren de eerder genoemde 12 exemplaren geteld door Rien van Straaten in 1998. Jammer genoeg bleek dit een tijdelijke opleving te zijn. De soort is op dit perceel definitief verdwenen.


Grutto's in het vroege voorjaar bij de plasdras in de polder Stein

Veldleeuwerik en graspieper
Wat waren ze vroeger algemeen in de polder Stein en het gehele Groene Hart van West-Nederland, deze twee kleine weidevogelsoorten. Beide zijn dramatisch in aantal afgenomen. Elk voorjaar was het weer een feest om het concert van zingende veldleeuweriken boven je hoofd aan te horen. Een nestje van deze vogelsoort vinden was niet zo moeilijk, zeker niet als je ging zoeken wanneer het motregende, want dan dan bleven ze lang op het nest zitten en vlogen pal voor je voeten weg. Graspiepers waren wat bescheidener met hun zang, deze vogelsoort manifesteerde zich wat meer met hun opvallend alarmerend gedrag als er jongen waren. De graspieper is in de polder Stein en andere polders rondom de Reeuwijkse Plassen inmiddels vrijwel volledig verdwenen. De veldleeuwerik is in het reservaatgedeelte van Stein met nog enkele paartjes aanwezig maar de toekomst ervan ziet er niet goed uit. Op de grens van de polders Stein/Lang Roggebroek trachten een of twee paartjes veldleeuweriken hun gezang de laatste jaren nog vol te houden maar ook dit lijkt een kwestie van tijd te zijn. Bestaat er nog een kans dat deze soorten zich kunnen herstellen? Op korte termijn is dat zeker niet te verwachten. Dat kan alleen, als de bestaande graslanden op termijn weer net zo bloemrijk zullen worden als vroeger en pas laat in het voorjaar gemaaid worden. De recent ingestelde (hogere) grondwaterstand in Stein Noord maakt onderdeel uit van de plannen van Staatsbosbeheer om weer bloemrijk grasland terug te krijgen.


Alarmerende graspieper zittend op een afrasteringdraad langs een graslandperceel.


Veldleeuwerik wakend op een ouderwets landhek

Wintervogels
Smienten en kleine zwanen ontbraken in de 60er jaren volledig in de polder Stein en ook kleine zwanen kwamen niet voor in de polder Stein tot aan het eind van de 70er jaren. Een aantal jaren hebben flinke aantallen kleine zwanen (met een maximum van 720 stuks) het noordelijk deel van Stein gebruikt als overwinteringgebied. Maar inmiddels laat de kleine zwaan de polder Stein al weer links liggen. De laatste twee jaar zijn er vrijwel geen kleine zwanen meer in de winterperiode in Stein Noord gesignaleerd.
Kleine aantallen smienten gingen  pas vanaf het eind van de 60er jaren de polder Stein gebruiken als foerageergebied. Na de onderwaterzetting van de Plas Broekvelden in 1970 is het aantal smienten in de graslandpolders rond het Reeuwijkse Plassen  steeds verder toegenomen. Ook de toename van eiwitrijke grassen in graslanden door de intensivering in de landbouw is onderdeel geweest van het succes van de smient. De aantallen smienten in de polder Stein kunnen van dag tot dag sterk wisselen. In het najaar/winter zijn er dagen dat er zo'n 3000-5000 exemplaren in de totale polder Stein verblijven.


Kleine zwanen


Smientenpaar zitten op het ijs.

 

homepage

nieuwste vertellingen fotoboek landschappen zoeken foto's zoeken op trefwoorden auteur
natuur & landschap Reeuwijkse Plassen weidevogels cultuurhistorie jeugdverhalen