Vispolder het Land van Steyn
 

De polder Stein, en dan vooral het deel wat aan de zuidkant van de spoorlijn ligt, was tot aan de strenge winter van 1962/63 een hele goede vispolder. 



Een oude topografische kaart uit 1733. De polder Het Land van Stein  is aangegeven in rood

Vissen was een grote hobby van ons en daar vermaakten we ons dan ook vele uren, ja zelfs hele dagen mee. Het favoriete visaas dat we gebruikten was bloedwormen die uit sterk veraarde mesthopen werden gespit en kokerjuffers die van de onderzijde van krabbescheerplanten werden gehaald. Door ons werd dat stokaas genoemd. De ervaring had geleerd dat we daarmee de grootste successen behaalden om veel (en uiteraard belangrijk)  vooral grote vissen te vangen. De waterkwaliteit van de polder Stein was tot aan het midden van jaren zestig van de vorige eeuw nog redelijk, en dit kon ook goed worden afgelezen aan het visbestand. Zeelt, baars, ruisvoorn en snoek waren zeer algemeen terwijl brasem en blankvoorn veel minder algemeen waren dan in de periode van waterverslechtering. Zeelt en baars waren goed te vangen met de plomphaak.



zeelten van wel 40 cm waren gewone vangsten

We gebruikten daarvoor van dat dikke bruine draad waar visnetten van werden gemaakt. De zeelten die je ving konden nogal groot zijn, tot wel veertig cm. lang, en soms kreeg je ook zo maar een snoek aan de haak. Vandaar dat sterke draad. De werkwijze was als volgt. Een haak verzwaard met lood en daar dan een dikke worm aan. Die liet je tussen het kroos zakken en de plomphaak langzaam laten zakken en weer omhoog halen, zodat aanwezige vissen daar op konden reageren. Vooral baars reageerde er goed op, maar dus ook zeelten en dan met name hele grote exemplaren. Maar onverwachts kwam er een einde aan het op die manier vissen.
Veroorzaakt door de strenge winter van 1962-63. Zo streng dat de sloten tot op de bodem dichtvroren en daar kon de vis niet tegen. Vrijwel alle vis in de polder is dan ook doodgevroren. Na het invallen van de dooi, pas midden Maart bleek goed wat een ramp er zich had voltrokken. Er dreven  tienduizenden dode vissen in de polder, waaronder tal van snoeken van meer dan een meter lang. De visstand heeft zich vanaf dat moment niet meer kunnen herstellen. 



Tot omstreeks 1960  kwam de driedoornige stekelbaars regelmatig voor in de polder Stein, vooral in sloten met helder water en uitbundige waterplantengroei in de uiterwaard waren ze algemeen. 

We hebben er heel wat gevangen met een schepnetje

Het rivierwater van De Hollandsche IJssel vervuilde steeds meer en werd in droge perioden in grote hoeveelheden de polder Stein binnengelaten. De driedoornige stekelbaars kan niet goed tegen vervuiling en verdween. De tiendoornige stekelbaars nam zijn plaats in, en is een soort die beter tegen watervervuiling kan. Beide vissoorten worden maar max. 5 tot 6 cm lang.

Op sommige dagen waren tiendoornige stekelbaarsjes tijdens het vissen  erg vervelend. Ze bleven maar in je worm bijten maar je ving er maar  zelden een.



Daar kwam ook nog eens bovenop de steeds verdergaande verslechtering van de waterkwaliteit in Stein door het inlaten van rivierwater uit de Hollandsche IJssel, alsmede  het steeds meer achterwege blijven van het uitbaggeren van sloten waardoor deze steeds verder verontdiepten in combinatie met het steeds lager  houden van de waterstanden. Maar een paar jaar later liepen we onverwacht tegen een opleving aan van de visstand van een bepaalde soort.

Tijdelijke heersers in de poldersloten van de polder Stein
Een paar jaar na de extreem strenge winter van 1962/63 had het uit vissen gaan  in de polder Stein nauwelijks zin. Er zat gewoon geen vis meer want zo’n beetje alle vis in de polder was in die winter doodgevroren, dus je ving "bot". Zomaar onze hobby opgeven, waar je enorm aan verslingerd bent, doe je niet. Maar na dagen aan het water te hebben doorgebracht  zonder een stootje te krijgen, hielden we het wel voor gezien, althans in Stein. Dus werd de visstek elders gezocht, en dat was langs het riviertje De Vlist. In de omgeving van een afgetopte watermolen, die het laatste restant vormde van de hier vroeger voorkomende boezem met zijn talloze windmolens.
Maar toch gingen we het zo af en toe maar weer eens in Stein proberen. Bij het inlaten van Hollandsche Yssel water bij het gemaal Stein kwam er vis mee naar binnen de polder in. Dicht in de buurt van het gemaal, in de maalsloot om precies te zijn,  kon je dan ook weer een visje verschalken. Maar de tijd van de grote jongens leek vervlogen tijd te zijn.

Het zal september-oktober 1965 geweest zijn, dat we het weer in de polder Stein gingen proberen op snoek en baars met de werphengel met blinker eraan.



Op de plaats waar omstreeks 1965 veel  snoeken zaten is de Tiendweg nu een stuk smaller geworden en zelfs ten dele in het water verdwenen (maar inmiddels hersteld).

Bijzonder opmerkelijk was dat de concentratieplaatsen met snoek maar op een paar plaatsen in de polder Stein voorkwamen. 

Hoewel we overal in de polder op snoek visten werden vrijwel alle snoeken gevangen op dezelfde plaatsen. Soms in een sloot waar veel snoek zat terwijl in aangrenzende sloten niets werd gevangen.

De snoeken zaten overigens wel in sloten die behoorlijk diep waren.

De Tiendweg aflopend en hier en daar de blinker uitwerpend. Aan de blinker zat een dreg met drie weerhaken, nu inmiddels verboden, maar toen nog niet. Blinkers kon je in de winkel kopen in allerlei kleurcombinaties. Er bestonden verschillende maatlengten en gewichtsklassen, variërend van 1 t/m 6. Wij zwoeren bij de kleuren rood/zwart en een vijfje, want vanuit onze ervaring wisten wij dat baars en snoek het beste op die combinatie reageerde. Toen we de Tiendweg een flink eind hadden afgevist, zonder overigens beet te krijgen, kwamen we aan bij een deel aan de oostkant van de  Tiendweg, en tot onze stomme verbazing vingen we daar zomaar een 5-tal flinke snoeken, allemaal zo’n beetje op dezelfde plaats en in een kort tijdsbestek. En niet de minste exemplaren, want er zaten een paar snoeken bij met een lengte van ruim 80 cm.



We waren er perplex van, want eigenlijk waren we van huis gegaan zonder enige hoop dat er ook maar iets gevangen zou worden. Dus een enorme meevaller. De snoeken werden na de vangst weer keurig teruggezet. We waren er nu wel op gespitst dat er wellicht meer snoeken te vangen zouden zijn, er vanuit gaande dat dit niet de enige exemplaren waren. Dus de week erop met levend aas gaan proberen en ook de werphengel met blinker hadden we weer bij de hand. Wederom een prima succes.  De snoeken deden het goed zowel op de blinker als op het  levend aas. In een middag tijd vingen we meer dan tien snoeken waaronder exemplaren die de metergrens benaderden. Alle snoeken in een betrekkelijk klein gebied op de plek langs de Tiendweg waar de week ervoor ook de snoeken waren gevangen. Vrijwel allemaal vrouwtjessnoeken. Die noemden wij liggers terwijl mannetjes snoeken (veel slanker) door ons jagers werden genoemd. Wat tijdens  het snoeken opviel was dat de de snoeken extreem hongerig waren en soms meerdere pogingen deden om toch maar de blinker of het levend aasvisje te pakken te krijgen.





Snoek stilstaand in helder water loerend naar een prooi.

In die winter gingen we vrijwel elke zaterdag op dat plekje snoeken en bijna iedere week was het weer raak. Soms vingen we 15-20 snoeken op een middag waaronder snoeken die meer dan een meter lang waren. Daar had je veel sport aan, temeer omdat we toen al met vrij moderne vishengels snoekten met nylondraad wat niet al te dik was (0,20 tot 0,30 mm). Gebruikte je die dikte dan had zowel de visser een kans om de snoek te vangen, en de snoek om weer vrij te komen. De snoeken lagen gewoon op ons te wachten leek het wel. Alle snoek die we vingen zetten we weer terug. Vrijwel alle snoek concentreerde zich in een betrekkelijk klein gebied langs de Tiendweg en in een spoorsloot langs de spoorlijn. Na een paar keer snoeken in die spoorsloot wisten we precies waar een bullebak van een snoek zich bevond. Een vrouwelijk exemplaar van ongeveer 115 cm lang die onder een kroosveldje lag in de buurt van gele plompen. Het was voor ons de kunst om vanaf grote afstand de blinker net naast het kroos te gooien in het open water. De snoek was blijkbaar nogal hongerig en trapte er bijna wekelijks in om op de blinker af te stuiven. Dat ging gepaard met een behoorlijke golving op de waterlijn. Je kon dan precies volgen op welk moment de snoek de blinker te pakken had. Soms miste de snoek de blinker. Maar de honger was blijkbaar zo groot dat bij een volgende poging de snoek wederom in actie kwam. Ik kan me voorstellen dat U nu denkt, dit is pas echte visserslatijn. Maar ik kan U verzekeren dat het er echt zo aan toe is gegaan.

Maar in het leven is alles maar tijdelijk. Zo ook ons plezier van het vangen van snoeken die daarna weer direct werden teruggezet. Op een bepaald moment kregen we concurrentie van mensen die de snoeken niet terugzetten maar ze meenamen. Het vangen was geen kunst gezien de felheid waarmee ze op de blinker en levend aas reageerden. In tijd van een paar weken was zo'n beetje alle snoek dan ook verdwenen.

homepage

nieuwste vertellingen fotoboek landschappen zoeken foto's zoeken op trefwoorden auteur
natuur & landschap Reeuwijkse Plassen weidevogels cultuurhistorie jeugdverhalen