Aan het eind van van de 19e eeuw/begin 20e
eeuw start men in de Goudse pijpennijverheid een nieuwe
manier van pijpen maken. Niet langer worden metalen persmallen
gebruikt waarin de pijp met pijpaarde wordt gevormd, maar stapt
men over op mallen van gips, die worden volgegoten met vloeibare
klei. Eerst importeren de Goudse pijpenfabrieken gegoten
(pijp)producten uit Duitsland, maar al snel begint men dit soort pijpen zelf te
maken.
Twee fabrieken startten dit proces min of
meer gelijk op (P.J. van de Want en P. Goedewaagen). Gegoten
pijpen raakten bekend onder de naam doorrokers. Doorrokers lijken
op een kleipijp maar hebben ook iets van pijpen gemaakt van
meerschuim en hout (Bruyére). De meeste doorrokers worden met een
metalen busje aan een roer van rubber, kunststof of hout
gemonteerd. Het succes van doorrokers overstijgt al snel de
traditionele geperste kleipijp.