De 17e en 18e
eeuwse Goudse
pijpenmakers beschikten niet over eigen ovens om hun kleipijpen te bakken. Dat
voorrecht was voorbehouden aan de pottenbakkers. Ongebakken kleipijpen moesten
naar pottenbakkersbedrijven worden gebracht om op een temperatuur van rond
de 980 graden gebakken te
worden in de pottenbakkersoven. De Goudse lange pijpen werden in bundels in speciaal
daarvoor vervaardigde pijpenpotten geplaatst met de koppen naar beneden
en de stelen omhoog stekend. Tussen de pijpenkoppen werd "schrobbelus"
gestrooid, gemalen pijpengruis om de pijpen beter op zijn plek te houden. De
ovens werden gevuld met Goudse pijpen en aardewerk. Ze werden gestookt met turf
en takkenbossen. Het exact op temperatuur brengen van de oven was een nauwgezet
werk en vereiste veel ervaring. De huidige temperatuurmeters, waarbij de warmte
van de oven tot op de graad kan worden ingesteld , waren er toen nog niet. Werd
de oven te heet gestookt dan begon de glazuur van het aardewerk te smelten, liep
op de eronder geplaatste pijpen, en het aardewerk trok krom. Of het aardewerk begon te versinteren, koekte aan
elkaar met als gevolg dat de hele oven geruimd kon worden als
pottenbakkersafval. En het was geen zeldzaamheid dat dit gebeurde.